Wit wollen jasje, foto van Stijn Geurtz
Wit wollen jasje, foto van Stijn Geurtz

De mijmeringen van een wit, wollen jasje

Wat te vertellen over mijn wederwaardigheden als Jasje.
Ik werd het buitenste omhulsel van een jonge vrouw die, toen ze mij zag in die winkel in Hulst in de Steenstraat, onmiddellijk op mij viel en mij aantrok en met haar handen over de stof van mijn mouwen streek, ik zou bijna zeggen, ze streelde mijn witte wollige buitenkant! Bij het lopen door de winkelruimte veranderde zelfs onmerkbaar haar tred zoals een vrouw die zich plots realiseert dat ze er goed, nee, heel goed uitziet.
Voor de passpiegel bleef ze staan, ze deed de witte knopen aan mijn voorzijde langzaam dicht en met haar vrije hand haalde zij haar haren over mijn kraag die zij ook wat meer omhoogtrok, want hij zat wat dubbel voelde ik. De witte strikjes die als blikvanger zo bevallig, op het kraagje waren genaaid vond ze prachtig. Helemaal in mijn element was ik door haar manier waarop ze naar mij keek, ze was echt gek op mij, als jas kan je daar dan ook niet meer omheen, zij gaat je meenemen. Dat gebeurde, zij nam mij mee naar haar huis, naar de kapstok en de knaap, waarvan ze mij af en toe afhaalde en aantrok en ik voelde haar gelukkig zijn en hield haar warm.

Zo gebeurde het dat op die nieuwjaarsdag zij mij aantrok en ik samen met haar en haar man naar de zussen en broeder bijeenkomst in Aardenburg vertrok. Ook met alle kinderen en aanhang erbij, samen werd het nieuwjaar welkom geheten en geproost op elk en ieders gezondheid en geluk. Het was mij vreemd te moede wat ik als jas meekreeg.
Ik voelde haar onrust en haar afwezig zijn, niet op haar gemak was ze zoals een poos geleden, toen had ik dat al een keertje bemerkt. Ze wilde mij aanhouden, dichtbij haar, op een bepaald moment droeg ze mij over haar rechterarm maar wilde mij niet afgeven, ophangen of neerleggen over een bank of stoel. Ook niet op aandringen van een van haar zussen hoorde ik, nee hoor, ik bleef gevouwen over haar arm, gevouwen, veilig om direct aan te kunnen doen en ervandoor te kunnen gaan. Het voelde als wachten, een soort van ergens op wachten en je jas gereed om die niet te vergeten, af en toe voelde ik haar handen over mij heen gaan. Ik wist niet dat het een van de laatste keren zou zijn dat ze mij zou dragen en ik met haar mee mocht, zo fier als ze op mij was, zo gelukkig.
Nu hang ik hier op een houten knaapje op een rek, samen met al haar schatten, met zoveel plezier en stille voorpret en genietend van alles wat ze bij elkaar had uitgezocht en gedragen, ik hang ertussen een beetje vooraan.
De meesten van ons zijn triest, omdat we haar missen, het enthousiasme, haar warmte als ze ons uitkoos om haar te kleden en mee met haar op wandeltocht, of fietsend door de polders van Retranchement naar Sluis of Aardenburg. De jasjes en bloesjes gebloemd en vrolijk in vele kleuren en alle soorten vestjes en truien. Zo echt haar, zo echt haar vertegenwoordigend, haar smaak. De zusjes helpen ons aan nieuwe dragers, nieuwe kasten en knaapjes, maar ik als wit wollen jasje weet het, dat het gedragen worden nooit meer zo zal worden zoals wij dat hebben gevoeld en gekend, met die handen, die blik met haar ogen die ze ons gaf, dat ze zelfs af en toe tegen ons sprak.
Vandaag mag jij mee, morgen jij en vanavond trek ik jou aan en morgen wordt het fris dan mag jij mee met mij want je houdt mij zo lekker warm en ik heb je zo graag bij me, voor altijd mijn witje van wol.

Monica Martens, schrijfgroep Apropos. Wil je meeschrijven? Nieuwe deelnemers welkom! tel 06-53194442 of www.joycewouters.nl.