
Scheuren door de jeugdverkeerstuin
AlgemeenTERNEUZEN - In de jaren zestig zag Terneuzen zich als ‘metropool van de streek’. De komst van veel grote bedrijven en een daarmee gepaard gaande groei van de bevolking leidden tot een toenemende verkeersdruk.
door Margreeth Ernens-Abrahamse
Dat vele en drukke verkeer was gevaarlijk voor kinderen, vond de raad van Terneuzen. Er werd eens in den lande rondgekeken en naar voorbeeld van Assen werd het plan opgevat om in Terneuzen een verkeerstuin aan te leggen voor de kinderen van de lagere scholen. Zo konden ze op een veilige manier wennen aan verschillende verkeerssituaties en kon tevens aan verkeersmentaliteit worden gewerkt. Een oliemaatschappij richtte een lap grond bij het Zuidersportpark in (compleet met benzinestation natuurlijk), en sponsors zorgden voor de fietsen en autootjes. Later kwam er een mini-ahob bij, een installatie van automatische halve overwegbomen. Een bierbrouwerij plaatste - in ruil voor de vestiging van een horecabedrijf naast de tuin - een heuse verkeerstoren van waaruit hoofdagent A. Janse van de gemeentepolitie de scepter zou zwaaien.
Grootse opening
In april 1965 was het dan zover: onder grote belangstelling opende commissaris van de koningin mr J. van Aartsen de jeugdverkeerstuin, de eerste in Zuid-Nederland. Vijfde en zesde klassen uit heel Zeeuws-Vlaanderen kwamen voortaan in de tuin oefenen op de verkeersregels. Toen ik een jaar of elf was (vijfde klasser), was het dus vaste prik om regelmatig een uurtje naar de verkeerstuin te gaan als onderdeel van de lessen op school. Het doel was uiteraard om uiteindelijk je verkeersdiploma te halen.
De autootjes waren het populairst
Voor de (trap)automobilisten en fietsers bood de tuin in miniformaat echte wegen compleet met verkeerslichten, zebrapaden en fietspaden. De autootjes waren het populairst en het was een wedstrijd om die te pakken te krijgen. Als je pech had, moest je voor voetganger spelen. Agent Janse hield alles goed in de gaten vanuit zijn verkeerstoren en als wij een stiekeme wegrace hielden, kwam dat op een heuse boete te staan en een preek van hoe het dan wel moest. Zelfs in de trapauto’s moest je je hand uitsteken als je wilde afslaan, want richtingaanwijzers zaten er niet op. En reken maar dat hij het zag als je iemand sneed of ergens tegen aan botste.
In de eerste zomer werd het park ook gebruikt door kinderen die deelnamen aan de jeugdvakantieweek. Dat was echter maar van korte duur: het politiekorps kon niet hele dagen een hoofdagent missen om toezicht in de tuin te houden, laat staan dat hij kaartjes aan de kassa ging verkopen. Dus de tuin ging voortaan ‘s zomers dicht. De verkeerstuin werd overigens goed bezocht, jaarlijks kwamen er in schoolverband ruim 8000 kinderen uit heel Zeeland.
In het najaar van 1967 bleef de jeugdverkeerstuin hermetisch gesloten: het politiekorps had geen mankracht over om de lessen te verzorgen. Halverwege de jaren zeventig kwam de klad erin, maar het stichtingsbestuur gaf niet op en maakte in mei 1980 nieuwe opknap- en uitbreidingsplannen bekend. In april 1982 viel uiteindelijk toch het doek voor de jeugdverkeerstuin: verdere exploitatie bleek niet haalbaar. Jammer, in mijn tijd hadden we er altijd veel plezier. Of ik wat van de lessen leerde, valt te betwijfelen.
















