
Herinneringen door een boomkikker in Aardenburg
Algemeen 140 keer gelezenHet was de eerste keer dat ik een boomkikker hoorde. Althans, dat denk ik.
Vietnam tijdens de Doi Moi of Perestrojka zoals dat in de Sovjet-Unie werd genoemd. Ik was één van de eerste westerlingen die het land weer in mocht na het einde van de oorlog. Moest naar Brussel om een visum te halen, dan naar Ho Chi Minhstad gevlogen en vervolgens hopen dat het visum geaccepteerd zou worden. Dat werd het maar beperkt. Ik kreeg een lijst met namen van steden waar ik naartoe mocht, zonder een stop te maken bij tussenliggende plaatsen.
Na een paar weken nam ik die regel niet meer zo serieus. Huurde een fiets, want ik had geld genoeg. Voor 75 gulden kreeg ik meer dan 1 miljoen Dong. Ik voelde mij ook miljonair en ging naar een strand. Het was immers heel heet.
Op de terugweg werd ik opgepakt door de politie en belandde in een cel voor verhoor. Opstandig als ik was, zei ik dat ik geen Engels sprak. Rap werd de sfeer grimmiger. Het leek wel of ik in een slechte Chuck Norris film beland was. In het Vietnamees werd ik door twee bewakers toegesnauwd. Erkennen dat ik toch Engels sprak zou de situatie er niet beter op maken, dus zei ik dat ik wel Frans kon verstaan. Er werd onderling gefluisterd. Plots vertrokken de bewakers.
Uren later ging de celdeur weer open en waren ze terug. Vergezeld door een stokoud krom vrouwtje. Zij had Frans geleerd toen Vietnam nog een kolonie was. Ze vertelde dat ik langs een verboden militair terrein was gekomen. Ik zei dat ik daar geen erg in had gehad.
Uiteindelijk werd ik geloofd maar moest wel het land zo snel mogelijk verlaten. Dat betekende direct naar Hanoi. Het eerste vliegtuig dat vertrok was naar Laos. Was ik nog nooit geweest, dus leek mij prima.
Het nadeel was de nationale luchtvaartmaatschappij waarmee ik moest vliegen omdat in elke reisgids stond: ‘wat je ook doet; vlieg niet met Vietnam Airways’. Gelukkig de vlucht op triplex stoeltjes overleefd en op naar het volgende avontuur.
door Jan Wagemakers
Nu zit ik te luisteren naar de boomkikkers op mijn terras in Aardenburg.
Reizen kan ik niet meer sinds ik gekluisterd zit aan mijn rolstoel. Hoewel ik af en toe geplaagd wordt door absences, kan ik in nog wel aan mijn vele reizen denken.
Het geluid van de kikkers wordt overstemd door een kettingzaag. Ik herken dat geluid. Het was ook in Indochina; in Cambodja. De hele dag hoorde ik kettingzagen maar niet het geluid van omvallende bomen. Het was ongelooflijk maar het waren kleine krekels die dat oorverdovende lawaai maakten.
Het lawaai hier wordt gemaakt door een mens die blokken zaagt voor de houtkachel. Ze lijkt op mijn lieve vrouw. “Hou op!” schreeuw ik. Ze komt naar me toe.’ Wil je nog een kopje koffie?’ Pareltjes zweet staan op haar voorhoofd. ‘Je hebt het niet eens op. Nu is het koud geworden. Ik zal nieuwe voor je maken’.
Kinderen komen voorbijgevaren in een bootje. Ze lachen en zwaaien naar me.
Het doet me denken aan die kinderen op de Mekong rivier. Eentje had een pleister op z’n teen. Nee, het was geen pleister, daar hadden ze geen geld voor. Het was een lapje stof. Zij lachten niet. Ze hadden een soort levenloze uitdrukking op het gezicht.
Toch had ik het gevoel dat ze gelukkig waren, vrij maar niet zorgeloos. Ik heb daar nog een foto van. Het leven is niet eerlijk.
Jan Wagemakers, schrijfgroep Apropos. Wil je meeschrijven? Van harte welkom. www,joycewouters.nl















