
Zeeuws Weerzien: Collecteren
Algemeen 75 keer gelezenTERNEUZEN - Op de lagere school in Terneuzen zat ik in klas 3, 4 en 5 bij meester Rosenbrandt. Hij had het op zich genomen om zijn leerlingen te laten collecteren voor de Hemava, een stichting die geld inzamelde voor kinderen in Protestants Christelijke Internaten.
door Margreeth Ernens-Abrahamse
Het was niet zozeer dat je je als collectant moest opgeven, je kreeg gewoon een aantal straten toegewezen. Sommige ouders hadden er bezwaar tegen en die kinderen waren vrijgesteld. Iedere maand moesten we het collectebusje bij de meester inleveren en dan telde hij hoeveel je had binnen geharkt.
Ik had dus drie jaar lang vijf straten: de Noordstraat, de Lange Kerkstraat, de Korte Kerkstraat, de Tholensstraat en de Donze Visserstraat. Alles bij elkaar ging het om honderden huizen over een afstand van een paar kilometer. Bovendien kon je de Noordstraat niet ‘doen’ op zaterdag, want dan hadden de winkeliers het veel te druk met het winkelende publiek.
De eerste keer liep
ik braaf alle straten
af met mijn busje
Ik baalde wel van mijn grote wijk, want er ging heel veel tijd inzitten. Als je er iets van zei, kreeg je te horen dat ‘jij het zo goed hebt en dat die arme weeskindertjes het zo slecht hadden getroffen’. Ik moet toegeven dat dat wel een stok achter de deur was, het collecteren werd een ‘heilig moeten’.
Die eerste keer liep ik braaf alle straten af met mijn busje. En dat was te merken ook, want het zat propvol met muntjes toen ik het bij de meester inleverde: ruim 30 gulden. Toen ik de veel lagere opbrengsten van mijn klasgenoten zag, besloot ik stiekem voortaan maandelijks een halve wijk te doen (en daar ging ook genoeg tijd inzitten). Het leverde toch nog altijd een flink bedrag op. Meestal had ik het hoogste bedrag van de klas opgehaald en ik vermoed dus dat mijn klasgenoten ook de hand lichtten met het lopen van hun maandelijkse rondje.
Buitenbeentjes
Het collecteren heeft me veel geleerd over mensen. Al gauw kende ik de meesten wel bij wie ik langs de deur kwam. Velen (meestal de vriendelijke soort) gaven altijd gul, bij anderen ving je steevast bot. En dan had je ook nog de buitenbeentjes. Zo belde ik eens aan bij een huis in de Lange Kerkstraat en zag door het deurraam een mevrouw aankomen. Toen ze mijn collectebusje zag, riep ze liefjes dat ze de deur niet kon opendoen want ze was ziek. ,,Jammer he, nu kan ik niets in je busje doen.’’ Daar deed ik niet moeilijk over, ze kon immers best geld door de brievenbus aan mij geven. Ik weet nog dat die mevrouw zich in allerlei bochten wrong om er onderuit te komen. Flauw, ze had ook gewoon kunnen zeggen dat ze niet wilde doneren.
Kinderachtig lor
Aan het eind van het jaar mochten we als beloning uit een folder een boekje kiezen. De eerste keer koos ik voor een Leni Sarisboekje, maar dat feest ging niet door, want dat was voor 12 jaar en ouder. Ik moest genoegen nemen met een kinderachtig lor, wat niet eens interessant was, maar ‘zeer geschikt voor 8- en 9-jarigen’.















